KWPN Magazine | Egbert Schep: "Merries kunnen geen kwaliteit doorgeven die ze zelf niet hebben"
Als scout, handelaar en fokker heeft Egbert Schep zijn sporen ruimschoots verdiend. Afgelopen augustus kreeg het voormalige Algemeen Bestuurslid erkenning dankzij de titel ‘Springpaardenfokker van het Jaar’, en daar gaat een lange reeks succesvolle fokproducten aan vooraf. Op alle fronten weten zijn fokproducten uit te blinken en zij zijn het resultaat van Egberts doordachte fokkersvisie. Zeer goed springende merries uit prestatierijke stammen zijn het uitgangspunt.
De titel ‘Springpaardenfokker van het jaar’ is in het geval van Egbert Schep echt een oeuvreprijs: een erkenning voor zijn verdiensten in de fokkerij in de breedste zin van het woord. Met een heel stel internationaal succesvolle springpaarden, NMK-merries, goedgekeurde hengsten en uitblinkers in de jongepaardenwedstrijden komt hem deze titel als fokker meer dan toe.
Talent en pedigree
Als ruiter reed Egbert Schep op nationaal niveau en de handel had vanaf het begin af aan zijn interesse. Die combinatie zorgde er al snel voor dat Egbert zich ook op de fokkerij ging richten. “Vroeger kocht ik veel paarden op concours, maar dat werd in die tijd ook al steeds moeilijker. Daarom zette ik mijn betere sportmerries in voor de fokkerij en al snel ontdekte ik dat me dat meer goede jonge paarden opleverde, dan wanneer ik alleen van inkoop afhankelijk was”, blikt Egbert terug. Eén van zijn eerste succesvolle fokproducten was de tot Senator Big Time omgedoopte Bonheur-zoon Hopeful (uit Upolda keur pref prest van Landgraf I), waarmee Robert Smith op het hoogste niveau presteerde. Uit diezelfde merrie fokte Egbert vervolgens ook het 1.50m-paard Octavius (v.Jumbo-Jet). “Die moeder sprong goed onder de naam Landgrafin en kwam via de handel bij mij. Dat was een van de eerste merries waarmee ik ben gaan fokken.”
Resultaten
Door de sport op de voet te volgen en te weten waar de sport – en dus ook de handel – om vraagt, wordt Egbert steeds kritischer op het eigen fokmateriaal. “Het is eigenlijk ongekend hoe hard het niveau van de paarden omhoog is gegaan in de laatste 20 tot 30 jaar. De paarden zijn zóveel atletischer geworden, ik denk dat niet iedereen zich daarvan bewust is. Daar hadden we twintig jaar geleden niet van kunnen dromen. Als je de sport nauwlettend volgt, weet je hoe hoog het niveau momenteel al is en die ontwikkelingen blijven zeker doorgaan, waarbij de kleinste details bepalend kunnen zijn. De sport wordt in de finesses uitgemaakt. De paarden zijn zoveel lichter geworden en springen met veel meer atletisch vermogen dan vroeger. Een stijf paard dat zwaar landt, doet niet meer mee op het hogere niveau. Over het algemeen wordt er door de fokkers wel doelbewuster gefokt en via internet is tegenwoordig heel veel te vinden over de moederlijnen en sportprestaties, dat helpt enorm."
Kritisch
"Ik begin iedere dag met het bekijken van sportresultaten, zowel uit Europa als Amerika: dat geeft heel veel informatie. Daardoor weet ik ook dat het alleen maar nóg beter moet, en ben ik kritisch op ieder paard dat ik bezit. Ik probeer telkens in te schatten of ze goed genoeg zijn, zeker ook omdat de kosten aan alle kanten gestegen zijn. Dat advies kan ik ook andere fokkers geven, want in de fokkerij gaat het alleen om het allerbeste, en een gewone eet net zoveel als een goede.” Daarom is ‘gewoon goed’ al lang niet meer goed genoeg bij Egbert. “De merries waarmee ik fok, moeten extra kwaliteiten laten zien bij het springen, anders begin ik er niet aan. Als ik kijk naar welke merries tot nu toe het best gefokt hebben bij mij, zijn dat merries die stuk voor stuk zelf ook geweldig konden springen. Vaak zijn die merries door externe factoren in de fokkerij terechtgekomen.”
Meerdere stammen
Opvallend aan de fokkerij van Egbert Schep is de diversiteit in merrielijnen. Veel succes had hij bijvoorbeeld al met de stam van de Cumano-dochter Isolde ES (mv.Chellano Z), die zelf op 1.35m-niveau heeft gesprongen met stalruiter Gerd Jan Horsmans en de internationaal 1.45m-geklasseerde KWPN-hengst La Costa ES (v.Mosito van het Hellehof) bracht. “Uit Isolde ES had ik dit jaar een hengst in Oldenburg voor de keuring, dat is echt een geweldig paard: de Candy de Nantuel-zoon Tristan ES. Het is ongekend hoeveel mensen me daarover gebeld hebben.” Deze stam bracht al vaker hengstenkeurings-succes, want naast La Costa ES fokte Egbert onder meer de begin dit jaar tot kampioen van de Oldenburgse hengsten keuring verkozen Cashmere Blue (stb.naam Supertrooper ES, v.Chacoon Blue) alsook de in Hannover en Oldenburg gekeurde Pascadell (stb.naam Raspoetin ES, v.Pegase van ’t Ruytershof) uit deze lijn. Beide jonge hengsten komen uit dochters van Isolde ES.
Veulens aankopen
“Daarnaast ben ik ook altijd blijven investeren door veulens aan te kopen, omdat de lat steeds hoger ligt en ik de beste bloedlijnen op stal wil hebben.” Een mooi voorbeeld daarvan is de Ermitage Kalone-dochter Venezia Optima, die vorig jaar als drie-jarige met 90 punten voor het springen bij het KWPN ster werd verklaard. Ze nam vervolgens als Utrechtse CK-kampioene deel aan de NMK. Haar moeder Exquise du Pachis (v.Vagabond de la Pomme) springt zelf op het hoogste niveau. “In België hebben ze enorm geïnvesteerd in goed merriemateriaal en dat betaalt zich ook terug. In Nederland is dat minder gebruikelijk, maar ik denk dat het wel noodzakelijk is om mee te blijven doen op het hoogste niveau. Stilstand is achteruitgang en je moet als fokker zorgen dat je de beste merries hebt voor de fokkerij.”
Kwaliteit en functionaliteit
Doordat Egbert de sport op de voet volgt, heeft hij goed in beeld hoe ‘het ideale springpaard’ eruit moet zien. “Springpaarden moeten op de goede manier brutaal zijn. Daarbij wil je dat ze voorzichtig, niet te kijkerig, lichtvoetig en atletisch zijn. De innerlijke kwaliteiten zijn het allerbelangrijkst, er zijn genoeg paarden fysiek in staat tot het springen van een hoog parcours, maar alles valt of staat met hun instelling. Hoge steilsprongen worden op hoog tempo gesprongen in het parcours, daarvoor moeten de paarden heel licht en voorzichtig zijn, en over veel bloed beschikken. Daar staat tegenover dat de groep minder getalenteerde ruiters steeds groter wordt. Dat blijft een spanningsveld, want enerzijds heb je dat laatste aan bloed nodig voor de hogere sport en anderzijds moeten de paarden nuchter genoeg zijn voor de gemiddelde ruiter”, stelt Egbert. “Ik blijf voorstander van het fokken van een mooi paard, en vind dat we ons daarmee als KWPN-fokkers moeten blijven onderscheiden. Binnen Europa zie je dat we allemaal hetzelfde bloed gebruiken en de Nederlandse paarden staan echt bekend om hun aansprekende en functionele exterieur, dat hangt ook weer nauw samen met de rijdbaarheid. Dat is iets om te koesteren”, aldus de paardenman pur sang.
Dit is een deel van een artikel uit het nieuwste nummer van het KWPN Magazine. Wilt u graag meer artikelen lezen? Leden krijgen het KWPN Magazine, met daarin prachtige verhalen, interessante achtergrondartikelen, persoonlijke interviews en fokkerij-informatie, thuisgestuurd. Geen lid? Bestel dan het KWPN Magazine in de KWPN Webshop.
Bron: KWPN (overname niet toegestaan)
Tekst: Jenneke Smit
Foto:
